Sonett-Archiv

Normale Version: Woestijne, Karel van de: o Gij, die kommrend sterven moest, en Váder waart...
Sie sehen gerade eine vereinfachte Darstellung unserer Inhalte. Normale Ansicht mit richtiger Formatierung.
o Gij, die kommrend sterven moest, en Váder waart,

en míj liet leven, en me teeder léerde leven

met uw zacht spreken, en uw streelend hande-beven,

en, toen ge stierft, wat late zon op uwen baard;



- ik, die thans ben als een die in den avond vaart,

en moe de riemen rusten laat, alleen gedreven

door zoele zomer-winden in de lage reven,

en die soms avond-zoete water-bloemen gaêrt,



en zingt soms, onverschillig; en zijn zangen glijden

wijd-suizend over 't matte water, en de weiden

zijn luistrend, als naar eigen adem, naar zijn lied....



Zóo vaart mijn leve' in vrede en waan van dóod begeeren,

tot, wijlend in de spiegel-rust van dieper meren,

neigend, mijn aangezicht uw aangezichte ziet.
Referenz-URLs