Sonett-Archiv

Normale Version: Avond
Sie sehen gerade eine vereinfachte Darstellung unserer Inhalte. Normale Ansicht mit richtiger Formatierung.
Het paars gelaat van huizen is benet

van olmen, die hun pure goudsel strooiden,

de pracht, die elken gevel straks vermooide,

praling van zon uit pioenrozenbed,

is nu verdwenen, alle lichtschijn dooide

tot schemering, die stil onopgelet

van uit haar schuilhoek gansch de straat bezet,

zwartend de nissen waar de dag haar kooide.



Ik weet niet waarom ik nu weenen moet;

ik zie mijn liefs gelaat in bleeken gloed,

komt het niet op mijn leegen schouder rusten?



Ginds steekt een winkelruit zijn vlammen aan,

voor blauw omkringde klaarte kom ik staan,

zonder te zien, als een in droom gesuste.
Referenz-URLs