Sonett-Archiv

Normale Version: Levenskunst (5)
Sie sehen gerade eine vereinfachte Darstellung unserer Inhalte. Normale Ansicht mit richtiger Formatierung.
Johan Hendrik Labberton
Th. van Ameide
1877-1955


Levenskunst


1


Dit open woord zult gij mij eindlijk moeten geven,

o rijk en bont en druk en overvol bestaan,

dat ik door al uw schoone zeeën ben gegaan

als schepen naar hun doel met vastgerichten steven;



dat geen verlokkingen, geen glans van zonnigst leven

mijn ziel den valschen vrede hebben aangedaan,

dat ik bij alle beken peinzend heb gestaan

en hun verholen wel wist als mijn eenig streven;



dat voor mijn oog geen schijn een wezen kon verhullen,

dat mijn geduldge wil, zoo min als 't leven zelf

van dood kan weten, weet van wijken of van zwichten;

dat gij op 't eind uw klaarsten diamant zult lichten,

de sterren plukken van uw hemelsche gewelf,

en den grondloozen afgrond dezer ziel niet vullen.


2


Maar levenskunst is juist, dat over deze kloof,

die nooit te dichten is, met kundig teêr beleid

een sluier en een wolk van bloemen wordt gespreid,

opdat haar aanblik niet de rust der ziel mij roof;



opdat het zonnig licht, dat van den hemel stoof,

niet word' verslonden door een donkre oneindigheid,

maar tot weertinteling een schoonheid vind' bereid

van liefelijk gebloemte en fijnverslingerd loof.



Dan, door dat zwart gezicht niet dagelijks ontdaan,

gevoelt de blijde ziel, bij 't wassen van haar krachten,

dat men getroost kan leve' en 't leven niet verstaan,



omdat het leven zelf met al zijn stille machten

diep in haar zelve woont en zacht wil opengaan,

onwetend van zich zelf en van zijn eigen trachten.


3



Begrijpen doe ik nu: wat als een goede vader

't leven niet dulden kon en langzaam heeft gedood,

het was de tarwe niet, maar wat daartusschen schoot,

en sterven moest, zou 't graan niet sterven al te gader;



de rots, die splijten moest, zou de verborgen ader

zijn gouderts geven voor mijn armoede en mijn nood,

het warrig doornenwoud van hartstocht fel en rood,

waardoor 't mij pijnlijk drong mijn pijnloos wezen nader.



Zie, kussen doe ik uw geweldge handen weer,

maar als een zoon, die weet zijn zware schuld vergeven,

een lang verloren zoon bij eindelijken keer;



vleesch ben ik van uw vleesch, bloed van uw bloed, o leven,

wat uw onwendbre wil in deze ziel zal bouwen

ik wacht het rustig af met kinderlijk vertrouwen.


4


Mochten wij, ziel, nu voortaan leven als die hooge

boomen, die ik met stille slepende gebaren

hun lange takken, rijk van bloemen boven blaren,

in flauwe naar den diepen hemel open bogen



zag buigen liefderijk naar 't blank en onbetogen

rimpelloos water, dat hun armen en hun zware

stammen herleven liet in 't spieglend open klare,

zoo diep benedenwaarts als boven naar den hooge.



Hoe statig stond hun breede, vaste verre rij

daar als in schoone ceremonie langs die gracht,

die sluimerde in den sleep der blinkende gewaden,



zacht droomend onder 't luid en zoet gespelemei

van duizend vogels, die met heerlijkheid en macht

de zon bejubelden, tot wie die boomen baden.


5


Doch zooals sombrend soms in grauwe majesteit

zwaar donkerblauw gewolkte over hen samenloomt,

dat zoele regen eerst nà schichtge vlam ontstroomt

en dreunen of de schoot der zwangre wereld splijt,



- een haastge wind vooraf voren in 't water snijdt

en bleekt in beven 't blad van 't huiverend geboomt,

dat, wen zijn twijfel-groen blauw bliksem plots bestroomt,

verschijnt als vreemd visioen een duizel-korten tijd, -



Zoo staple ook om mijn hoofd, dat lijdzaam zij als geen,

het donkrend leven soms zijn vuur-drachtige wolken,



opdat, als vonk verspringt, fel licht dat even scheen

dring' door mijn sluier diep in diepste zielekolken,



en leer' mij groot en schoon dit beeld verstaan: mijn leven

wat bloemen tusschen twee oneindigheên geweven.
Referenz-URLs