Sonett-Archiv

Normale Version: Verheldering (2)
Sie sehen gerade eine vereinfachte Darstellung unserer Inhalte. Normale Ansicht mit richtiger Formatierung.
Verheldering I


Hoe week omwolkt zich alle kracht....

een toren duikt in mistig leed

en smelt in vaagheid: ach, wie weet

zijn vormen in de vooze vacht?



Alles is vol en dicht en zacht,

de kleuren slapen zonder weet,

het hart gaat langzaam en vergeet

het opene en de hemelpracht



en 't spelen van den blijden wind:

- wie schoot weleer in groote vaart

door ruimten als de vrijheid mint? -



o trage stilten! Maar begon

daar niet opeens - van waar, van waar? - 't

neersprankelen van 't carillon?


II


Door wolken drupt een teer geluid,

een blijheid zwierend klein door 't grauw,

het gretig oor verneemt het nauw,

als 't hart reeds klaar zijn konde duidt:



schoon oogen zien den damp niet uit,

vast staat de toren in dien rouw,

zijn stem klinkt spelend als door 't blauw,

door demping fijner, niet gestuit.



En die verdoofd in duister zat

en levend stil was als de dood,

hij heft het hoofd en luistert wat...



Door weeken grijzen weemoed viel

- zoo wacht hem nòg een morgenrood? -

het verre spelen van de ziel.
Referenz-URLs