Sonett-Archiv

Normale Version: Avondzegen (2)
Sie sehen gerade eine vereinfachte Darstellung unserer Inhalte. Normale Ansicht mit richtiger Formatierung.
Avondzegen I


Na troeblen drang een helderheid,

een klare rust uit gistig broeien

doen in mijn vruchtbaar hart ontbloeien

de rozen der bezonkenheid.



Zoo heeft mij hier een vrêe gebeid

na vagen tocht van bont vermoeien

zoo mag ik in den avond groeien

tot deze zuil van zekerheid.



O leven, hoe zoo licht zoo klaar,

als voor mijn groot en rustig oog

gij toeft en staat in stelligheid;



als elk verlangen, elk bezwaar,

al wat den luiden dag bewoog

verbleekt en zachtjes van mij glijdt....


II


Als alles wankt en welkt en wijkt,

wat stond in dag als starre rots

van pijn, als zwarte bloem van trots

die zwijgend in den nevel prijkt,



hoe zwelt me een vreugd! Mijn blik bezwijkt

niet voor den naakten blik des lots

en met de rust eens ouden gods

aanzie 'k, hoe alles mij gelijkt.



Ik lijd in pijn zoo mist als luister,

ach ik, een klein onmachtig mensch,

die leeft, zooals hij leven kan.



Maar eenzaam in mijn kamerduister

word ik de waarheid van mijn wensch

en voeg het leven in mijn ban.
Referenz-URLs