Sonett-Archiv

Normale Version: Ziekentroost (2)
Sie sehen gerade eine vereinfachte Darstellung unserer Inhalte. Normale Ansicht mit richtiger Formatierung.
Ziekentroost I


Is dit de wiekslag van den dood?

De wereld wordt op eens zoo zwart...

ik wist toch alles grauw en hard,

waarom dan nu deez' bittre nood?



Wat wolken kleuren zich wat rood

in 't westen, waar een schijn wat mart,

en heel de lucht wordt zachf verward,

alsof een lente ons avond bood.



Is het deez' tweespalt in de dingen,

is het de tweespalt in 't gemoed?

't Is of mijn voeten niet meer gingen...



alsof ik heel geen weg meer weet...

hoe lijkt het zachte sterven goed,

nu, in den winter wrang en wreed.


II


Maar als die zachte lentelucht,

licht blozend over 't veege land,

ons wordt in schooner zielsverband

tot troost en liefelijk gerucht



van hoop en naderend genucht,

een afglans van een beter strand

dan waar wij hier met zwakke hand

den weg ons teeknen naar 't gehucht,



zoo welfde om 't schrikklijk eenerlei

van doodschen winter in mijn ziel

uw woord een lucht van mijmerij.



En zonder dat een warmte mild

de starheid brak, die mij beviel,

was 't kinderhart al haast gestild.
Referenz-URLs