Sonett-Archiv

Normale Version: Nacht
Sie sehen gerade eine vereinfachte Darstellung unserer Inhalte. Normale Ansicht mit richtiger Formatierung.
De Nacht. - In hoog gebaar roereloos opgestort

Droomen nu boomen boven warrelende landen.

Vaag waast het raam door naar mijn aarzelende handen

Maanlicht dat bleeker in de teedre stilte wordt.



Verwarden golfslag drijft aan de verlaten wanden

Der wereld nevelzee, wemelend van week licht,

Maar klaar in stagen brand van eigen glans gericht

Staan maan en sterren aan de tijdelooze stranden.



- Wijl 't dervend sterft in felle werveling van tijd,

(Nog laait begeerte, vlammenrood omhoog gestooten,

Die 't meer ontberen met een nieuw gemis vermeert),



't Hart, dat, van wenschen moede, een nieuwe wensch begeert,

Ziet plotseling den nacht zoo klankeloos ontsproten,

En meet zijn arremoe ter zwijgende eeuwigheid.
Referenz-URLs