Sonett-Archiv

Normale Version: Woestijne, Karel van de: Epiloog
Sie sehen gerade eine vereinfachte Darstellung unserer Inhalte. Normale Ansicht mit richtiger Formatierung.
Karel van de Woestijne
1878 - 1929 Belgien


Epiloog.



Gij menschen, die misschien me in laetren tijd gedenkt,

als deze mond, en zónder morren, heeft gezwegen,

maar, woordloos op verzaden dood open-gezegen,

de ijlte beteekent die uw vragende ijlte wenkt,



weet: als een straf heb 'k stroeve waarheid meê-gekregen;

geen krankheid, die mijn lijf niet kreunend heeft gekrenkt;

en 't spijt, dat dit mijn vers gelijk een hostie drenkt,

mag heilig op uw tong als 't leven-zelve wegen.



Ziet: dit gelaat is lood, en zorge is 't zuur dat vreet

door 't lood, en 't diepst van al de heete voren beet

om God, o mijn begeert, die borgde 't pijnlijkst beiden.



En toch: hij die dit zeide in dood-gedoemde tijden,

en, leed hij waarlijk àl te zeer wanneer hij leed,

- hij droeg 't gevoelen, nooit genoeg te mogen lijden....
Referenz-URLs